Oefenproefwerk Geschiedenis

Het Romeinse Rijk: Republiek, Keizers en Samenleving · VWO

Voer je Anthropic API key in

0 van 6 vragen beantwoord

Tips voor bronnenanalyse

Yuheng, gebruik bij elke vraag deze vier stappen. Schrijf ze altijd uit!

Stap 1 – KIJKEN: Beschrijf precies wat je ziet of leest in de bron. Noem minstens 2-3 concrete details.
Stap 2 – KENNIS: Koppel wat je ziet aan je achtergrondkennis. Wat heb je hierover geleerd?
Stap 3 – REDENEREN: Leg het verband. Gebruik woorden als ‘dit betekent dat...’, ‘hieruit blijkt...’
Stap 4 – CONCLUDEREN: Formuleer nu pas je conclusie, die logisch volgt uit stap 1-3.

Ezelsbruggetje: K-K-R-C (Kijken → Kennis → Redeneren → Concluderen)

Veelgemaakte fout: Direct van de bron naar de conclusie springen! Schrijf altijd de tussenstappen op. Een conclusie zonder onderbouwing levert hooguit de helft van de punten op.

Bron 1: Kaart van het Romeinse Rijk

Kaart Romeinse Rijk 117 n.Chr.

Kaart: het Romeinse Rijk op zijn grootst onder keizer Trajanus (117 n.Chr.). Rood = Romeins grondgebied. Stippellijn = de limes (versterkte grens).

Vraag 1 (4 punten)
De Romeinen noemden de Middellandse Zee ‘Mare Nostrum’ (Onze Zee).
a) Beschrijf aan de hand van de kaart waarom de Romeinen de Middellandse Zee zo noemden. (2p)
b) Leg uit welk strategisch voordeel deze ligging de Romeinen gaf voor hun handel en leger. (2p)
Vraag 2 (4 punten)
Op de kaart is de limes (grens) aangegeven.
a) Beschrijf waar de limes liep volgens de kaart. Noem minstens twee gebieden. (2p)
b) Leg uit waarom het Romeinse Rijk ervoor koos om hier een grens te trekken in plaats van verder te veroveren. Gebruik zowel de bron als je eigen kennis. (2p)

Bron 2: Romeinse munt (denarius) van keizer Augustus

Denarius Augustus
Voorzijde: CAESAR AVGVSTVS DIVI F(ilius) PATER PATRIAE
Vertaling: Caesar Augustus, zoon van de vergoddelijkte [Julius Caesar], Vader des Vaderlands

Achterzijde: PONTIF(ex) MAXIM(us) – S.C. (Senatus Consultum)
Vertaling: Hoogste priester – Op gezag van de Senaat

Gevonden in de provincie Germania Inferior, ca. 2 v.Chr.

Vraag 3 (6 punten)
a) Noem drie dingen die je kunt aflezen van deze munt over de macht van Augustus. Verwijs telkens naar een concreet detail op de munt (tekst of afbeelding). (3p)
b) Augustus was de eerste keizer, maar wilde niet als koning gezien worden. Leg aan de hand van de munt uit hoe Augustus zijn macht legitimeerde (=rechtvaardigde). Gebruik minstens twee details van de munt. (3p)

Bron 3: Tekstfragment

“De Senaat was niet langer het machtige orgaan dat het eens was geweest. Hoewel Augustus de Senaat met respect behandelde en deed alsof hij slechts de ‘eerste burger’ (princeps) was, wist iedereen dat de echte macht bij hem lag. Hij benoemde de provinciegouverneurs, controleerde het leger en beheerde de staatskas. De Senaat mocht alleen nog stemmen over zaken die Augustus zelf had goedgekeurd.”

Naar: Mary Beard, SPQR: Een geschiedenis van het oude Rome (2015), bewerkt.

Vraag 4 (4 punten)
Lees bron 3 en bekijk bron 2.
a) Citeer een zin uit bron 3 die laat zien dat Augustus zijn macht probeerde te verbergen. (1p)
b) Leg uit hoe bron 2 (de munt) het beeld uit bron 3 zowel bevestigt als tegenspreekt. Verwijs naar concrete details uit beide bronnen. (3p)

Bron 4: Sociale structuur van de Romeinse Republiek

Sociale piramide Rome

Reconstructie van de sociale verhoudingen in de late Romeinse Republiek (ca. 100 v.Chr.). De breedte geeft het aandeel in de bevolking aan.

Vraag 5 (6 punten)
a) Beschrijf de sociale structuur die in de bron wordt weergegeven. Noem minstens drie groepen en hun positie. (2p)
b) De Romeinse Republiek werd bestuurd door de Senaat, die grotendeels uit patriciërs bestond. Leg met behulp van bron 4 uit waarom de plebejers ontevreden waren over hun politieke invloed. (2p)
c) De ‘standenstrijd’ leidde tot hervormingen. Noem één hervorming die de plebejers meer rechten gaf en leg uit hoe die het machtsverschil uit bron 4 verkleinde. (2p)
Vraag 6 – Overkoepelende vraag (12 punten)
“De overgang van de Romeinse Republiek naar het Keizerrijk was onvermijdelijk.”

Beoordeel deze stelling. Gebruik in je antwoord:
• Minstens twee bronnen als bewijs
• Je eigen kennis over de val van de Republiek
• Argumenten voor en tegen de stelling
• Een eigen conclusie met onderbouwing

Schrijf een lopend betoog van ongeveer 150-200 woorden.